Vernietiging goedkeuringsbesluit Gedragscode Stroomversnelling biedt handvaten voor betere vleermuisbescherming

Vandaag heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak die Stichting SEVON had aangespannen.  Daaruit blijkt dat het goedkeuringsbesluit van de Gedragscode Stroomversnelling door Minister van LNV nietig is verklaard. SEVON is blij dat deze Gedragscode geen stand houdt en is ervan overtuigd dat deze uitspraak het ministerie voldoende handvaten biedt om bij in de toekomst op te stellen gedragscodes wel op een goede manier de bescherming van vleermuizen te waarborgen.

SEVON is voor een goede energietransitie in het kader van klimaatopwarming. Natuurinclusieve oplossingen en goedwerkende oplossingen zijn hiervoor nodig en aangewezen. De bescherming van vleermuizen verdient hierbij maatwerk; dat dient goed geborgd te worden, ook in Gedragscodes. Stichting SEVON maakt zich daarvoor hard. Met deze jurisprudentie zal het gemakkelijker worden de natuur in Nederland daarin te ondersteunen.

We willen iedereen bedanken voor hun steun en financiële support. Zonder deze support was het onmogelijk deze rechtzaak te beginnen en tot een goed einde te brengen. Nogmaals super bedankt voor alle hulp en steun!

Verder lezen:
De uitspraak:
https://www.raadvanstate.nl/@125127/201900294-1-r2/

De persuitspraak:
https://www.raadvanstate.nl/@125173/minister-lnv-gedragscode-renovatie/

Uitspraak Hoger Beroep aanstaande

23 november diende het Hoger Beroep dat SEVON en stichting Huismus Bescherming Nederland Stichting Witte Mus hadden ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.  De Rechtbank gaf toen al aan dat het langer dan 6 weken nodig zou hebben om tot een uitspraak te komen. Tussentijds is de termijn meermaals verlengd; vandaag kwam het bericht dat aanstaande woensdag 21 april de uitpraak zal volgen:

“…uitspraak wordt gedaan in de zaak 201900294/1. Aanstaande woensdag zal in deze zaak uitspraak worden gedaan. De volledige tekst van de uitspraak is woensdag vanaf 10.15 uur te lezen op deze pagina.”

We kijken er met veel vertrouwen naar uit.

Verloop hoger beroep

Vandaag diende het hoger beroep. Door de beperkende maatregelen vanwege de Sars-Cov-2 epedemie konden we niet alle deskundigen meenemen die we mee wilden nemen. Hierdoor hebben we er voor gekozen weinig reuring aan te geven.

Niels de Zwarte van Bureau Stadsnatuur namen we als externe deskundige mee naast de voorzitter van SEVON (René Janssen).  Fleur Onrust van ENVIR advocaten stond SEVON bij als advocaat.

Tijdens de zitting zijn er heel wat goede en diepgaande juridische vragen gesteld en daarna eveneens veel inhoudelijke; vleermuizen werden zo’n 2,5 uur tot de schorsing behandeld, daarna kwam stichting Huismus Bescherming Nederland Stichting Witte Mus aan bod voor de huismus; waarna het weer samengenomen werd.

Wij hebben alle punten in kunnen brengen die voorbereid waren en vragen goed kunnen beantwoorden. Eigenlijk geen moment van hapering. Het viel hierbij op dat vanuit LNV alsmede Stroomversnelling een aantal echt lastige vragen vanuit de RvS kwam, waarbij de drie rechters moesten helpen met het beantwoorden van de vragen en we hen meermaals letterlijk zagen fronsen.

We hebben grote waardering voor hoe RvS zich heeft ingelezen. Zij hadden heel goede en gedegen vragen en waren zeer goed ingelezen.
De voorzitter van de Rechtbank sloot af met de woorden: “Het gebeurt maar zelden dat een zitting zoveel nieuwe informatie oplevert.” En dat daardoor “de termijn van uitspraak van 6 weken zeer waarschijnlijk niet gehaald wordt.”

We kijken met veel vertrouwen uit naar de uitspraak.

Fundraizingsoproep door de VLEN

De Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN) stuurde vandaag onderstaande oproep rond om onze fundraizing onder de aandacht te brengen.

———————-
Beste VLENer,

Nog nooit eerder deden wij een dergelijk beroep op je, maar nu is de nood hoog!

Stichting SEVON heeft onze hulp nodig in de strijd tegen de gedragscode NOM. Als iedereen 10 euro doneert dan kan de stichting zijn werk blijven doen!

Waar gaat het om?
Als mensen hun spouwmuren isoleren volgens de gedragscode stroomversnelling NOM is er een kans dat vleermuizen ingesloten raken in gebouwen, of dat ze hun verblijfplaatsen kwijtraken. Mitigerende maatregelen (oplossingen) werken niet en de staat van instandhouding van een aantal soorten is in gevaar. Als het zo doorgaat, drijven we een flink aantal soorten in het nauw. Bijvoorbeeld de meervleermuis, de laatvlieger en de gewone dwergvleermuis. Dan wordt het wel heel erg stil in de nacht. 

Dat mag niet gebeuren!
Daarom is stichting SEVON (Stichting ecologisch vleermuisonderzoek Nederland) in beroep gegaan tegen deze gedragscode. Hoewel juristen en ecologen belangeloos samenwerken, zijn er heel veel kosten, zoals bijvoorbeeld proceskosten.

Wij ondersteunen de stichting, en we hopen dat jij dat ook doet!

Alvast bedankt voor je bijdrage,

 

Marga van der Tol
Voorzitter VLEN

Kijk op de website van stichting SEVON voor meer informatie. Of maak je gift meteen over op rekeningnummer NL44 RABO 0151 7631 35 tnv SEVON. Vermeld bij je overschrijving “gift rechtszaak NOM” en “anoniem” of je naam.

Uitspraak Rechtbank negatief voor huisbewonende vleermuispopulaties

Afgelopen donderdag heeft de Rechtbank Haarlem uitspraak gedaan in de zaak die SEVON tegen RVO heeft aangespannen aangaande de gedragscode NOM/ Stroomversnelling. Hierin is SEVON op onze inhoudelijke punten in het ongelijk gesteld.

We zijn verbaasd dat de Rechtbank een vaag omschreven, lerende aanpak als methode voldoende acht. Zeker omdat maatregelen, waarvan niet bewezen is dat ze effectief zijn, voldoende worden geacht om vleermuissoorten van de Habitatrichtlijn te beschermen (niet effectief gebleken vleermuiskasten). De Rechtbank gaat hierbij voorbij aan het stringente beleid van de Habitatrichtlijn. Vleermuissoorten wiens populaties  nu al in een ongunstige staat van instandhouding verkeren, zullen verder achteruitgaan doordat ze bij renovaties gesloten raken en verblijfplaatsen kwijt raken door onjuist en onzorgvuldig handelen.

Blijkbaar hecht de Rechtbank veel waarde aan de uitzondering die in de gedragscode is opgenomen voor “bijzondere situaties”. De Rechtbank gaat hiermee voorbij aan het feit bij 90% van de huizen zonder afdoende inventarisatie, een bijzondere situatie kan zijn en dit niet uitgesloten kan worden door de huidige gedragscode, zoals ook verwoord door het Netwerk Groene Bureaus. Populaties sterven hierdoor plaatselijk uit bij deze zich traag voortplantende en kwetsbare soorten; en door de grootschaligheid van Stroomversnelling waarschijnlijk regionaal tot landelijk.

SEVON beraadt zich over haar vervolgstappen in dit dossier. De uitspraak is via deze link te lezen.

Zittingverloop rechtszitting 6 september

Donderdag 6 september was de zitting rond de gedragscode naisolatie NOM. Zoals te lezen heeft SEVON een rechtszaak aangespannen tegen de goedkeuring van deze gedragscode door de staat. We spanden deze rechtszaak aan omdat de goedkeuring van deze gedragscode ervoor zorgt dat hele populaties van kwetsbare vleermuissoorten opgesloten raken in gebouwen of hun verblijfplaats kwijtraken wanneer wijken en buurten worden nageïsoleerd. Daarnaast is deze gedragscode in strijd met Europese regelgeving . Onze bezwaren staan opgesomd in dit aanvullend beroepschrift.

Een meervoudige kamer boog zich over onze zaak, en die van Stichting Huismus die gelijktijdig werd behandeld. Onze advocaat Jade Gundelach van Soppe Gundelach Witbreuk advocaten bracht al onze punten helder in. De rechters hebben voldoende tijd genomen om zich goed te laten informeren.  De uitspraak is over 6 weken. We zullen hierover berichten wanneer we meer weten!

Zittingslocatie veranderd

Donderdag 11:00 dient de rechtszaak die SEVON heeft aangespannen tegen de goedkeuring van de Gedragscode NOM / Brede Stroomversnelling door RVO.
 
De zittingslocatie van de rechtszitting is gewijzigd naar Jansstraat 81 te Haarlem; de zitting is voor een meervoudige kamer en begint om 11:00 uur op donderdag 6 september. De datum en tijd is ongewijzigd.
 
We hebben geen idee wie mogelijk zouden komen, deel vooral aan mensen die mogelijk zouden willen komen zodat mensen niet op de verkeerde locatie staan en vergeet geen legitimatiebewijs mee te nemen.

Aanvullend beroepschrift ingediend

Vandaag hebben we ons aanvullende beroepschrift; de reactie op het verweerschrift van RVO en reactie op de brief van vereniging Brede Stroomversnelling ingestuurd naar de Rechtbank. Om geïnteresseerden, mensen die gedoneerd hebben alsmede openheid van onze Rechtsgang te geven, delen we graag de samenvatting van wat we vandaag aan de Rechtbank hebben toegezonden. Het SEVON- bestuur wil alvast een groot team van vleermuis- en natuurrechtspecialisten danken voor hun hulp en input alsmede onze advocaat Jade Gundelach van SoppeGW Advocaten. We kijken vol vertrouwen naar de zitting op 6 september a.s. om 11:00 in de Rechtbank Haarlem. Het vandaag verzonden schrijven is via deze link te downloaden.

Samenvatting en verzoek
Renovatie- en isolatiewerkzaamheden op basis van de gedragscode zullen leiden tot overtreding van diverse verboden als bedoeld in artikel 12 lid 1 van de Habitatrichtlijn en artikel 3.5 van de Wnb. Het gaat daarbij niet alleen om het verbod op de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen, maar ook om het verbod op het opzettelijk doden of verwonden van specimens van vleermuissoorten. De soortgroep vleermuizen is een kwetsbare groep. Een vrouwtje krijgt slechts 1 jong per jaar en slechts een deel van de vrouwtjes krijgt een jong. Overtreding van de hiervoor genoemde verbodsbepalingen, in het bijzonder wanneer dit leidt tot verlies van een kraamkolonie, kan direct grote gevolgen hebben voor de (lokale/regionale en soms zelfs landelijke) populatie. Vanwege het zeer lage reproductievermogen is het herstel van een vleermuiskolonie c.q. een vleermuispopulatie een zeer langzaam proces. Bij grootschalige ingrepen dan wel bij zeldzame soorten zal een populatie zich niet altijd kunnen herstellen.

Overtreding van de hiervoor genoemde verbodsbepalingen kunnen worden toegestaan, maar alleen onder strikte voorwaarden, verwoord in artikel 16 Habitatrichtlijn/artikel 3.8 Wnb. Voor de gedragscode moet worden aangenomen dat deze eisen ook zijn verankerd in artikel 3.31 Wet natuurbescherming. Zo mag er geen andere bevredigende oplossing bestaan en mag de afwijking geen afbreuk doen aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Om diverse redenen kan de gedragscode de toets aan deze voorwaarden niet doorstaan:

  • Het HvJ en ook de ABRS vereist een restrictieve uitleg van de uitzonderingsmogelijkheden en – daarmee samenhangend – maatwerk bij het toelaten van uitzonderingen op de bescherming. De gedragscode is strijdig met deze lijn in de jurisprudentie en daarmee met artikel 16 Habitatrichtlijn, artikel 3.8 Wnb en artikel 3.31 Wnb vanwege een te algemene aanpak en onvoldoende maatwerk.
  • De Europese Commissie heeft duidelijk gemaakt dat compensatie of ‘overcompensatie’ geen alternatief mag vormen voor een restrictieve toetsing aan de uitzonderingsvoorwaarden.
  • De gedragscode voldoet niet aan de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van meerdere betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Hierbij speelt een rol dat de toets aan deze voorwaarde extra streng is omdat de praktijk onder de gedragscode kan leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen die gelden voor vleermuissoorten die op dit moment in een ongunstige staat van instandhouding verkeren. Zoals hiervoor in dit aanvullend beroepschrift nader is toegelicht, hebben de tekortkomingen betrekking op de volgende aspecten:
    ◦           Voorafgaand aan het verrichten van de handelingen bestaat onvoldoende kennis over voorkomende vleermuissoorten in het projectgebied
    ◦           Er bestaat in de praktijk van gebruikmaking van de gedragscode te weinig kennis en aandacht voor soorten die al in een ongunstige staat van instandhouding verkeren, waarmee niet aan de strenge jurisprudentiële eisen kan worden voldaan
    ◦           De ecologische effectiviteit van compenserende maatregelen is niet bewezen.
    ◦           Er is onvoldoende zicht op cumulatieve effecten, niet alleen op lokaal niveau, maar vanwege het geplande grootschalige gebruik van de gedragscode ook op regionaal en landelijk niveau.
    ◦           Door de gebreken in de monitoring bestaat onvoldoende inzicht in de effecten van de praktijk onder de gedragscode op de staat van instandhouding van soorten en populaties vleermuizen.

Al deze tekortkomingen vormen een zelfstandige grond voor het oordeel dat de gedragscode niet voldoet aan het vereiste dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Echter, vooral de combinatie van deze aspecten maakt helder dat op dit punt strijdigheid bestaat met artikel 16 van de Habitatrichtlijn en de relevante bepalingen van de Wet natuurbescherming (artikelen 3.5, 3.8 en 3.31 Wnb).

  • De onzekerheden zijn te omvangrijk om door monitoring achteraf rechtgetrokken te mogen worden. Daarbij komt ook dat de monitoring gebreken kent.
  • De gedragscode kan de toets aan de voorwaarde dat geen andere bevredigende oplossing bestaat evenmin doorstaan:
    ◦           De isolatie van woningen is ook mogelijk op basis van een praktijk waarbij enkele woningen waarin wel (belangrijke) populaties zijn aangetroffen, tijdelijk worden uitgezonderd van isolatie tot effectieve compenserende maatregelen voorhanden zijn;
    ◦           Ook valt niet in te zien waarom – zeker voor grootschalige en langdurige renovatieprojecten – niet zou kunnen worden gewerkt met een gebiedsdekkend en gedegen onderzoek vooraf. Het gaat dan om ecologisch onderzoek dat wel volgens de aanvaarde ecologische onderzoeksmethoden (Vleermuisprotocol) plaatsvindt. Gewezen kan in dit verband worden op de ervaringen met gebiedsontheffingen die op gedegen voorafgaand onderzoek zijn gebaseerd, voldoende maatwerk wordt gewaarborgd en de monitoring gedegen wordt geregeld.
    ◦           Van belang is dat de minister vooraf had moeten onderzoeken of de renovatie- en isolatiewerkzaamheden ook denkbaar en uitvoerbaar zouden kunnen zijn met een minder grof raamwerk als de gedragscode, waarbij meer waarborgen worden geboden voor het behoud van kolonies en meer recht wordt gedaan aan de verschillen tussen de vleermuissoorten en het gegeven dat meerdere van deze vleermuissoorten zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden. Het goedkeuringsbesluit noch het verweerschrift geeft aan dat dergelijk onderzoek door de minister is verricht.

Tot slot:
De rijksoverheid heeft de afgelopen decennia vele prikkels ontvangen om risico’s voor vleermuizen in het kader van woningisolatie te voorkomen en te beperken. Dit heeft onder meer betrekking op de verblijfplaatsen van zeldzame soorten. Al twintig jaar geleden werd in het kader van de Eurobats Agreement het volgende bij resolutie vastgesteld als een prioriteit voor vleermuisbescherming: “Important roosts, particularly of rare species should be identified by the most appropriated methods” (Eurobats Agreement, 2e Conference of the Parties, Resolutie 8, Bonn, Germany, 1-3 July 1998, http://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Meeting_of_Parties/MoP2_Res.8.pdf, Annex A, para. 10). Specifieke voor woningisolatie werd in hetzelfde kader vier jaar geleden expliciet gewaarschuwd voor grootschalige gevolgen door cumulatie, voortvloeiend uit woningisolatie: “Take into account, when assessing the importance of individuals losses, that the cumulative impact of fatalities and loss of bat roosts in buildings can lead to detrimental effects on bat populations.” (Eurobats Agreement, 2e Conference of the Parties, Resolutie 7.11, ‘Bats and Building Insulation’, Brussels, Belgium, 15 – 17 September 2014, para. 2. Zie hierover ook F.G.W.A. Ottburg, M.H.C. van Adrichem, H.J.G.A. Limpens en M.J. Schillemans, ‘EUROBATS; Analyse van de resoluties die zijn aangenomen tijdens de vergadering van de partijen (Meeting of the Parties) in 2014’, Wageningen, Alterra Wageningen UR (University & Research centre), Alterra-rapport 2728, 2016.)

Deze prikkels hebben nimmer geleid tot een meer planmatige aanpak, bijvoorbeeld in de vorm van landelijke of regionale monitoringsprogramma’s ter voorbereiding van het grootschalige isolatieproces waarmee de gedragscode verband houdt. Niet valt in te zien, waarom nu tot goedkeuring van de gedragscode en instemming met het nagenoeg onbegrensde toepassingsbereik (landelijke werking, geen limitering van het aantal woningen) moest worden overgegaan. Cliënt acht deze handelswijze in strijd met het voorzorgsbeginsel. Dat dit voorzorgsbeginsel de grondslag moet vormen voor de uitleg en toepassing van de Habitatrichtlijn, volgt uit het HvJ-arrest 7 september 2004, C-127/02 (Waddenzee en Vogelbescherming). Daar is de minister met haar goedkeuringsbesluit ten onrechte aan voorbij gegaan.

Cliënte verzoekt u dan ook om haar beroep tegen het goedkeuringsbesluit gegrond te verklaren en dit besluit te vernietigen.

Ook verzoekt cliënt u om de staat te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten.